Onderzeeboten kunnen dan wel zo belangrijk zijn, maar hoeveel belastinggeld gaat er in die geavanceerde, “onzichtbare” boten? De resultaten zijn vrij verrassend. Onderzeeboten zijn niet duur. Sterker, als onderstaande kosten worden vergeleken met de potentie van de Onderzeedienst dan is er zeer waarschijnlijk geen onderdeel binnen de Defensie dat zoveel kan leveren voor zo weinig geld. 

Aanschafkosten
De aanschaf van de huidige onderzeeboten, de Walrusklasse, was een hoofdpijndossier. De kwestie kreeg de naam “Walrusaffaire” en bereikte in 1984 het dieptepunt toen bleek dat de kosten voor de twee bestelde boten ver boven de geraamde prijs uit zouden komen. Mede naar aanleiding van het ongeluk met de Amerikaanse onderzeeboot USS Thresher en voortschrijdende technologische ontwikkelingen had de marine het ontwerp van de nieuwe Nederlandse boten gewijzigd. Dit en vooral door de vertraging die voortvloeiden uit wijzigingen, failliete leveranciers en personeelstekort stegen kosten flink1. Toenmalig Minister van Defensie Scholten werd echter niet voldoende geïnformeerd door de marineleiding. Na de affaire moest de Admiraliteitsraad het veld ruimen. Voor politiek Den Haag was dit aanleiding om meer grip te krijgen op materieelsprojecten van Defensie. Sindsdien zijn vele nieuwe grote materieelsprojecten door de marine uitgevoerd (4 LCF’en, 8 M-fregatten, 1 bevoorrader, 4 OPV’s, 1 JSS, 2 HOV’s) die nagenoeg allemaal zonder problemen zijn verlopen en overigens zijn ook vóór de bouw van de Walrusklasse veel grote materieelsprojecten door de marine met succes afgerond (o.a. 10 S-fregatten en 2 GW-fregatten). De Walrusaffaire lijkt dus op zichzelf te staan en dergelijke kwesties zijn niet een vast gegeven bij materieelsprojecten voor schepen of onderzeeboten. De andere twee boten van de Walrusklasse zijn na de Walrusaffaire besteld.

De Walrusklasse werd gebouwd in twee delen; eerst de Walrus en Zeeleeuw (kiellegging 1979 en 1981), en in 1986 en 1981 volgde de kiel van respectievelijk de Dolfijn en de Bruinvis. De eerste twee boten waren duurder dan de tweede serie. Voor de vier boten is in totaal 2 miljard gulden betaald (prijspeil 1994)2. Dus 500 miljoen gulden per stuk.  Dat is veel minder dan voor de vier Britse onderzeeboten van de Upholderklasse is neergelegd, die in 1989 in dienst werden gesteld en waar 900 miljoen Pond3 (bijna 3 miljard gulden) voor werd betaald (prijspeil 1990), ofwel zo’n 730 miljoen gulden per stuk. Deze vergelijkbare onderzeeboten zijn later verkocht aan Canada en staan nu bekend als de Victoriaklasse.  Met 500 miljoen gulden per stuk waren de onderzeeboten niet veel duurder dan de Nederlandse M-fregatten die 450 miljoen gulden per schip kostten (prijspeil 1992).

Lees verder op Marineschepen.nl